Corianne Oosterbaan

Over mij | Gedichten | Korte verhalen | Fotografie | Contact

De wind vangen

Origineel gepubliceerd op HetMoet.com, als onderdeel van Mammoetje “Flessenpost” (april 2024).

I

Ze is schrijver. Ze is als stromend water. Alleen stroomt het soms de ene kant op, dan de andere, zijn er goede schrijfdagen en slechte, als de getijden van de zee of een getijrivier, eb en vloed, eb en vloed, heen en weer. Wanneer ze uit haar raam kijkt naar de rivier die langs haar huis stroomt, ziet ze het water hoog of laag staan, ziet ze hoe de stroming vier keer per dag van richting verandert, de glinstering van de zon in de golven, de draaikolken die zich vormen, de kleine witte vogels die duikvluchten maken, happend naar het water, op zoek naar vis.

Soms vloeien de woorden net zo sterk als die stroming uit haar vingers. Soms zijn ze druppels op een gloeiendhete plaat, zoals wanneer ze aan haar roman probeert te werken, die voelt als een lange reis op zee, zonder land aan de horizon. Soms drogen de woorden gewoon op, krijgt ze niets meer op papier, zit ze daar maar. Soms zijn het ronduit lelijke woorden, vol gif, pfas of riooldrek. (‘Riooldrek’ komt maar 144 keer voor op Google en wist je dat er auto’s op riooldrek kunnen rijden?)

II

Ook op de boot kijkt ze uit over water dat glinstert in de zon. Ze weet niet of het hoog of laag staat, of het zich überhaupt schikt naar de stand van de maan. Daar zit ze, met een grote mok koffie en een plak ontbijtkoek, een stapeltje boeken naast zich, haar dagboek, een pen. Ze wil niet dat deze ochtend voorbijgaat. Ze wil blijven zitten, in deze zon, het gevoel van een begin, van mogelijkheden, van nieuwe dingen die ze nog moet ontdekken, ze wil eindelijk eens beginnen met schrijven. Daarvoor is ze hier.

Maar ze leert hier ook zo veel dingen die ze niet had verwacht te leren: hoe een zeilboot kriskras zeilt om haar bestemming te bereiken, hoe je mossels kweekt en wat ze Zeeuws maakt, het nut van bootschoenen. Dat je angst kunt hebben voor poëzie schrijven. Want ja, soms laten de woorden je in de steek. Ze verdampen, laten hooguit voor even wat natte plekken achter op de keiharde aarde die ooit de bodem van een rivier was.

En dan zit ze daar, starend naar een witte pagina in haar notitieboek. Kun je behandeld worden voor poëzie-angst? Of is het een te specifieke vorm van writer’s block? Zijn gedichten gewoon niet aan haar besteed? De woorden blijven buiten boord, waaien weg in de wind, diezelfde wind die het schip vooruit stuwt, die wind in de zeilen, alleen in letterlijke zin dan. Figuurlijk gezien verdrinken en verzinken haar woorden naar de bodem van het Veerse Meer, net als de duif die ze eerder vanochtend zag verdrinken in een van de sluizen op weg hiernaartoe.

III

Ze las iets over hoe water zich dingen kan herinneren, kan opslaan. We niet weten waarom, maar dat dat kan, dat geesten, het paranormale, misschien wel misschien ook niet bestaan, dat ze slechts herinneringen zijn, opgeslagen in water.

Elk woord dat ooit opgeschreven is, is ook een herinnering. Nooit de complete herinnering. Er is zoveel wat niet te vangen is in woorden. Toch schrijft ze woorden op en elk woord dat zij opschrijft zal ook blijven bestaan, want ze gooit niets weg, ze heeft harde schijven en USB-sticks vol losse eindjes en beginnetjes, scheepjes vastgelopen tijdens laag water, teksten die gewoon niet goed genoeg zijn, of ooit zijn afgewezen door redacties. Misschien dat ze er ooit iets mee kan, dat die losse verzamelingen woorden ooit iets meer gaan betekenen, ooit een echt verhaal worden.

Of wil ze te veel? In de haven van Zierikzee probeert een meeuw een paling op te slokken. De paling past niet helemaal in zijn bek, de paling leeft nog, probeert steeds weer te ontsnappen, glibbert de snavel steeds weer uit. Ze ligt op het dek en kijkt toe. De meeuw wint.

En ze vraagt zich af: hoe vang je verhalen? Hoe vang je de wind? Er zijn al zo veel boeken geschreven, zo veel mensen die de wind wel gevangen hebben. Boekwinkels en bibliotheken overweldigend vol met verhalen. Zelf heeft ze ook een kleine bibliotheek verzameld, stapels boeken die omvallen, als kleine torens van Pisa; ongelezen stapels, aan-het-lezen stapels, stapels die ze opnieuw wil lezen, stapels voor research of gewoon als vermaak. Ze weet niet waar te beginnen soms, met lezen, met alles.

IV

Op het dek, met haar ontbijtkoek en koffie, strijkt er een briesje langs haar benen. Je ontkomt niet aan dat waar je thuis ook al tegenaan liep, ook niet wanneer je een boot op stapt en weg zeilt. Dat houdt ze zich voor. Maar desondanks kun je ook gewoon het ene woord na het andere woord zetten. Dat houdt ze zich ook voor.

Want schrijven is als vlinders vangen terwijl het stormt, schrijven is hard werken. Schrijven is ook mijmeren met koffie op het dek, schrijven is schrappen, schrijven is herschrijven, schrijven is luchtkastelen bouwen, schrijven is verhalen vangen in de wind, schrijven is gewoon doen, niet denken – vooral niet te veel denken. Er zijn al zo veel ideeën, meningen, tips en gedachten over losgelaten, zo veel boeken over geschreven, door schrijvers, door niet-schrijvers. De crux is: je moet gewoon gaan zitten, het vuur in jezelf vinden en het doen, gewoon gaan schrijven.

De touwen zijn inmiddels los, de motor is aan. Ze kijkt een laatste keer naar het havenplaatsje, de vele masten, de aanlegsteigers, de schattige huisjes langs het water. Langzaam schuift de boot weg van de kade, maakt een voorzichtige draai, vaart weg, steeds harder, het open meer op. Ze schrijft een woord, en nog één, een derde woord, een hele zin. De wind waait harder, laat haar haren wapperen.